Mijn vader Raymond startte samen met m'n moeder Anneke in 1970 hun eigen zaak. Ze zijn klein begonnen. Ze kozen voor Sint-Idesbald, een toeristisch dorp tussen De Panne en Koksijde. Omdat tijdens de winter de mensen van Sint-Idesbald voor een paar maanden naar de suikerfabriek van Veurne vertrokken had m'n vader wat meer tijd. Hij stortte zich op de veeteelt.
Na enkele jaren had hij dertig koeien, een paar kippen en enkele velden. Z'n beesten waren maine-anjou-runderen. Hij hield niet van het wit-blauwe ras. Het mag dan wel zacht vlees zijn, maar hij vond dat het smaak miste. Maine-anjou geeft doorregen, rood en sappig vlees. De smaak komt van het vet. Dat vet, dat krijg je door het ras van het dier, de know-how van de veeteler, en een goede voeding. Je moet het dier ook buiten laten leven. M'n vaders koeien graasden hier, in de polders, nu nog steeds trouwens. Het gras is er uitstekend. De zeewind, het zout, het speelt allemaal mee in de kwaliteit en de smaak. Gras, dat is de natuur op je bord. Beesten die puur gras eten, daarvan komt vlees met smaak, die passie voor smaak is er altijd geweest.